THUIS is mijn reizende column.
Deze verhaaltjes verschijnen in de Roskam, onafhankelijk weekblad van Twente.
01. Thuis op reis
02. Cook Islands en de Britse dame
03. Nieuw Zeeland – hier wil ik wonen
04. ALS EEN WALVIS - Twee is ze geworden
05. Goggles en Groener Gras
06. Beijing - Stof of Glimmende auto’s
07. Tommy: It is like this
08. een kaart uit Jiu Zai Gou – de 9 dorpjesvallei
09. Yakpoep en hogesnelheidstreinen
10. Onze god is toch de beste
11. are you happy?
12. Vietnameze veerkracht
13. verkeerD geregelD
14. zwerven...
15. Niet bang zijn.
16. Weer thuis
THUIS - weer thuis
column 16
Thuis? Ik weet nog helemaal niet of ik daar wil zijn. Het welkom is hartverwarmend, familie en vrienden op Schiphol en wachtend thuis. Kleine Rozemarijne die na drie seconden twijfelen naar me toe rent. Wat heb ik je gemist. Ook collega’s willen van alles weten. Het is net of ik aan een nieuw leven en een nieuwe baan begin. Ik merk dat ik het ontzettend leuk vind dat zovelen hebben meegelezen en meegeleefd. Stop met dromen! wil ik u toeroepen: ga ook!
Drie doelen zijn bereikt. Ik voel me een ander mens, dat kan ook niet anders. Gezelligheid en plezier maken een mens leuker. Ik ben rijker: in elk land heb ik Unesco-plekken kunnen bezoeken – check! – en ja, het klopt: afzien is goed voor een mens. Ik ben opnieuw zo blij dat ik ooit in mijn Twente ben geboren.
Maar zelfs dagen nadat ik weer op Twentse bodem loop ben ik nog niet geland. In mijn mooie Twente. Mijn rugzak is wel uitgepakt, maar staat nog dralend en lonkend in een hoek. Mijn banken zijn bezaaid met meegebrachte spullen. Kadootjes wachten op nieuwe eigenaren. Reisboeken, bonnetjes en bewaarde papieren slingeren op verschillende stapeltjes. Abonnementen zijn ongelezen. Vier maanden geleden ingepakte dozen willen uitgepakt worden. In de voortuin schreeuwt het onkruid het uit. Het is me een doorn in het oog.
Ga ook! Roep ik u toe. Het is een keuze. Die nieuwe auto of een grote reis. Bezwaren zijn er altijd en je kunt je geld maar één keer uitgeven. Ook het hebben van kinderen is geen echt argument: misschien is een reis het mooiste kado dat je je kinderen kunt geven. Een reis begint bij een zot idee en de ogenschijnlijk onhaalbare beslissing om te gaan. En de bereidheid zekerheden los te laten. De volgende uitdaging is je werkgever. Als die heel coulant blijkt zag je voor niets beren. Wat daarna volgt is niet zo moeilijk meer. Dat gaat stap voor stap. Tickets, verzekeringen, post doorsturen, pasjes en prikken regelen. Er is nieuws aan de horizon, als je echt wilt.
Het is net of ik aan een nieuw leven begin. Met in mijn achterhoofd het meisje voor Angkor Thom in Cambodja dat eigenlijk naar school moet. Haar Engels is beter dan dat van de gemiddelde gids, maar ze staat boeken over Pol Pot te verkopen. Ik zal nooit weten of mijn power-motivatiepraatje heeft geholpen. Ook op mijn netvlies de landmijnspecialist die als kind door de Rode Khmer is ingelijfd en nu nog maar één levensmissie heeft: zijn land landmijnvrij maken. De Nepalese Harry die ons de Himalaya in loodste. De Chinese chauffeur Eric die ons met geblindeerde autoramen het aardbevingsgebied boven Chengdu liet zien. Omdat het gezien moet worden. Mensen zonder en met drive.
Wat drijft je eigenlijk? Wil ik weten. Want ik vraag het mezelf. Wat drijft mij? Werken is leuk hoor, maar eerlijk is eerlijk: ik mis de zon. Ik mis buiten zijn. Ik mis de ontmoetingen van de afgelopen vier maanden, de ergernissen, de verbazing. De komende tijd breng ik het liefst door met alles op orde brengen. Foto’s, fotoboeken, huizen kijken, de tuin in, klussen. Mijn geliefde reisgenoot en ik snappen na vier maanden 24/7 samen op reis te zijn dat in één huis wonen veel leuker is. Het eeuwige meisje-zonder-echte-relatie kijkt uit naar een nieuw thuis.
Ik voel me thuis meer ontheemd nu. Over een paar jaar ga ik weer. Reizen maakt wijzer. Thuis is waar je geliefden zijn.
THUIS - Niet bang zijn.
column 15
Bijna thuis. Dit is het eerste deel van de terugreis. Van Kuredu op de Malediven naar Singapore. Met versnelde hartslag en samengeknepen knieën zie ik dat we opnieuw dalen. Ik zit in een watervliegtuigje. Fantastisch en weer heel eng. Zojuist hebben we vier andere passagiers opgehaald bij een ander eiland van het atol: de Malediven bestaat uit een serie atollen. Zeg maar de punten van een krater die boven water uitsteken. Van de tweeduizend eilanden zijn er tweehonderd bewoond, waarvan honderdtwintig een resort zijn. Op die eilanden wonen toeristen en diegenen die er werken. Minigemeenschapjes. Alles wordt per boot aangevoerd, de bezoekers per watervliegtuig. En daar zit ik dus nu in. Toen we met z’n achttienen zojuist zacht op het water landden en de piloten aan stuur en gashendels hingen, begon er vanalles te piepen. Door mijn oorpluggen heen. Whaa! Het heet ‘stalling’ hoor ik en betekent dat het ding iets teveel achteroverhelt. Doodnormaal, ze doen dat acht keer per dag.
Ik? Ik ben bang. Ik ben een angsthaas. Ik ben chicken. Steeds weer overvalt het me. Misschien ken ik het verschil tussen spannend en bang niet meer, maar jemig wat vond ik het vaak eng de afgelopen vier maanden. Mijn keel slaat dicht, mijn handen worden zelfs nat. Paniek, peeuw. En heel nieuwe ervaring. The toughest girl is bang. Zet mij voor een grote menigte of kritische groep toeschouwers: geen probleem. Moet ik iets voor elkaar krijgen in een land waar ik de taal en weg niet ken: een uitdaging. Is er politiechinees die mijn paspoort afneemt: i’m cool. Ook de dreigende knullen die mij als wandelend geld zien heb ik geen problemen mee.
Waarvoor dan wel? Uuuhm: Opstijgen in een lawaaiig vliegtuig, turbulentie en wiebelende vliegtuigvleugels, een speedboot die te hard gaat (in mijn ogen) en steeds op het water klapt, de pijlstaartrog die een meter onder me onder het zand vandaan komt, de Vietcongtunnels die te smal zijn, de helikopter die met mij naar de top van de gletscher vliegt in Nieuw Zeeland, de krakende kabelbaan naar de Chinese muur waarvan de staalkabel stjiiing zegt, de tunnel van vier kilometer waarin we urenlang vast staan, de taxirit midden in de nacht door te smalle straatjes in Saigon, achterop de brommer bij mijn geliefde die met 50 kilometer per uur veeeeeel te hard rijdt op het hete asfalt dat het blote vel van mijn botten zal schuren, snorkelen in 10 meter diep water om met de Manta te kunnen zwemmen, sowieso zwemmen in zee als ik de bodem niet kan zien. . . .
Er was gisteren ook zo’n leuke Titan Triggerfish van 50 centimeter die vond dat ik in zijn territorium was. Ploef, ineens verscheen hij voor me vol in mijn vizier van mijn duikbril: whaaaa! Die beesten bijten. Zoniet de Manta’s die we op zee vinden om mee te snorkelen. Salam, die prachtige donkerbruine Maladivian met vierkante kop zegt: don’t worry. Ik heb thuis van jongs af aan geleerd dat de dolfijnen onze guardian angels zijn. Als er hier in het water gevaar dreigt zijn ze er om je te beschermen. Als je boot omslaat cirkelen ze binnen twee minuten om je heen. De Manta heeft een vleugelwijdte van twee meter maar doet niets, die is alleen nieuwsgierig en komt misschien dichtbij. Ik knik hijgend in mijn snorkel en maan mezelf tot rustig ademen voor ik het diepe inspring met een bal in mijn maag. Ik grijp de hand van mijn zus die naast me zwemt.
Wat ik eng vind aan vliegen? Nou bijvoorbeeld: het opstijgen in een klein vliegtuigje. Klein noem ik achttien tot 100 passagiers. Als het een echt groot vliegtuig is dan kan ik het wel loslaten. Ook vind ik turbulentie niet leuk. En dan bedoel ik ook echt niet leuk. Kan iemand mij uitleggen waarom ik wel snap dat lucht dikke soep met ballen is en dat je daardoor heen moet, maar dat ik het na jaren probleemloos vliegen nu echt niet leuk vind? Zelfs na vijfentwintig vluchten in vier maanden zou je toch denken dat het wel slijt. Ik kan u melden: dat is niet zo. Misschien heeft de piloot wel slecht geslapen vanwege ruzie met zijn vrouw. En dus is hij er niet helemaal bij. Of heeft de mechanische meneer juist een waanzinnige nacht gehad en kan aan niets anders denken. En dat hij dan dat ene draaiklepje is vergeten. Je weet het niet. Het weerhoudt me er niet van om erin te stappen, want nog liever hobbel ik in de lucht dan op een zandweg in een Vietnamese bus waarvan de chauffeur al 15 uur tussen brommers en vrachtwagens manoeuvreert. Bovendien ben ik een kei in het relativeren. Wat ik dan zelf weer niet begrijp op het moment dat ik achterin zo klapperende speedboot zit waar ik mijn kiezen op elkaar moet houden om mijn tong niet te verliezen.
Waar ben ik bang voor? De dood? Als dat komt dan komt het maar ik geloof dat het mijn tijd nog niet is. Dus niet echt. Een ongeluk? Bloed? Mijn geliefden thuis nooit meer zien? Ineens dringt het tot me door: misschien is het wel een luxe probleem, dat bang zijn. Veel bang in vier maanden omdat ik dingen doe die ik normaal gesproken niet doe. Of ik doe ze zelf en dan is het niet eng. Ik ben een controlefreak, ben ik bang.
Bijna thuis. Tijd om de balans op te maken.
THUIS - Zwerven
column 14
Hij heeft een grote catamaran, die ligt in de baai van een eiland in de Golf van Siam, ten oosten van Thailand dus. Alex is van het soort dat je vaker op de mooiste plekken van de wereld tegenkomt. Een beroepszwerver. Je ziet het niet aan hem af. Lekker gebruind, zeker niet té, een goed lijf, gezellige kop, ietwat slome houding die hoort bij een tropische eilandbewoner.
We gaan een dag met hem mee op een andere catamaran, nog groter dan de zijne. 52 voet lang (ongeveer 17 meter) en net zo breed. Deze catamaran is van een Britse eigenaresse die op Koh Samui woont. Alex wordt ingehuurd als schipper, met twee Thai als bemanning. Hij heeft een hoop lol om de twee jongens, Zach en Egg. Zach spreekt geen Engels, is volgens Alex de meest vriendelijke vent die je ooit tegen zult komen. Zach is blubberig zwaar, zwemt als een vis, raakt met zijn tenen in een kick het dak van de kajuit en toont even zijn spagaat. De eilander die alles kan, maar geen ambitie kent. Elke dag klooien op zee op die catamaran is leven genoeg. Bijna 32, liever lui en een kapot gebit omdat hij alle flesjes bier met zijn tanden openmaakt. Alex heeft Zach graag om zich heen. Want ‘hij kán werken als een paard’. Hij lacht zich rot om de twee jongens op zijn drijvers. ‘Kijk, we moeten voorbij die eilandpunt.’ Hij wijst vervolgens naar zijn bemanning. ‘Egg zit een beetje te bellen, Zach rommelt wat en de catamaran koerst recht op het eiland af. Ik weet niet waarom, het is geen logische koers. Ze houden ervan om de zeilen te strak te zetten, niet lekker los vol met wind. Ik heb het ze echt honderd keer uitgelegd.’ Alex grijnst. ‘Veel eilandjongens kunnen niet eens zwemmen’.
Alex heeft 1001 dingen gedaan. Hij heeft op talloze plekken gewoond. Dat komt omdat zijn vader voor een hulporganisatie werkt en het gezin altijd van plek naar plek trok. Zo bracht hij zijn jongensjaren door op de Cook Islands in het Polynesisch gebied, ,later in Nieuw Zeeland, Samoa, Australië en vele andere plekken in Azië. Nu vertoeft hij al twee jaar op Koh Samui. Zijn broer is hier ook sinds twee maanden. Een goeie fotograaf, zegt Alex. Zijn broer blijkt ook een zwerver. ‘Waar is je thuis?’ Vraag ik. ‘Ja, ik heb hier een huis.’ Antwoord Alex. Dat bedoel ik niet. ‘Waar voel je je thuis?’ Het blijft even stil. ‘Hier wel’, zegt Alex. Maar niet voor altijd. Hij wil wel investeren in Birma. Dat is de bestemming van de komende jaren. ‘Als het erop aan komt ben ik Brits. Maar ik wil er niet wonen’. ‘Weer in Amerika?’ ‘Nee, zeker niet’. ’Canada, bij je ouders?’ ‘Nee, zeker niet. Ook niet hier. Misschien wel in Australië, uiteindelijk.’
Alex overweegt opnieuw een vaste baan. Dat is zijn enige echte zorg, merk ik. ‘Waarom dan, als je er niet gelukkig in bent?’ ‘Nou, ik ben nu dertig maar ik bouw niets op. Ik heb nergens een huis waar ik ooit op terug kan vallen. Hij voelt zich nog het meest Europeaan maar hij heeft teveel mooie plekken gezien. Al van jongs af aan. Zuid Frankrijk trekt een beetje maar het is niet zonnig en vrijblijvend genoeg. Een welgestelde Italiaan heeft hem gevraagd zijn boot van Azië naar het Middellandse Zeegebied terug te varen. Fantastische boot, vindt Alex. Het zal een half jaar duren en wordt vet betaald. ‘Ik ga het niet doen. Dat brengt me niet waar ik naar toe wil.’ Wat dat dan precies is weet Alex ook nog niet. Hij leeft voorlopig gewoon van de zon en de liefde.
Hij heeft wel een serieus idee voor een internetbedrijfje. Misschien kunnen wij hem -eenmaal weer thuis- helpen. Het idee is goed: op maat gemaakte overhemden voor veertig euro per stuk. Een instructieformulier op de site voor het opnemen van de maten, verzenden per post. Dat de Thaise kwaliteit goed is weet ik, Thaise handen zijn kundig. Waar het op neer komt is dat hij denkt dat het hem weinig werk oplevert en een goed inkomen. Ik gun het hem.
Alex is eigenlijk verpleegkundige. Hij werkte in ziekenhuizen, op cruiseschepen, voor hulporganisaties. Hij is een ervaren schipper, geeft training en gezondheidsadvies. Hij had wel vaste banen. Heel bijzondere zelfs. Hij was personal trainer van Ulma Thermann en Madonna. ‘Fantastisch toch’ zeg ik. ‘Levert ongetwijfeld goed geld op, je reist mee en ziet nog ’s wat. Een baan die veel mensen zouden willen hebben’. ‘Nah’ zegt Alex. ‘je wordt geleefd. Heb haar geprobeerd uit te leggen dat je met alleen ananas eten geen gespierd lichaam kunt houden’.
Op het strand in de bar van JJ vertelt Alex in hoog tempo waar hier de mooie plekken op zee zijn, welke eilanden goed te bevaren zijn met de catamaran en welke stranden de moeite waard zijn. Het biertje slaatie af. Hij zucht voor de derde keer tussen de woordenwaterval door. ‘I have to go now. Call me. Ik moet nu fitnessen met een clubje mensen. Maar heb totaal geen zin.’ Nog een zucht, schudt onze handen en zegt: ’I get paid to motivate people… ‘
THUIS - verkeerDgeregelD
column 13
Ik mis mijn eigen auto. Dat is een gekke gewaarwording. Van alle dingen die ik vier maanden lang achterlaat mis ik mijn auto vooral. Verder mis ik niet zoveel, blijkt, alles past in één rugzak. Ja, natuurlijk mensen mis ik, maar skype en mail maken veel goed. Ik heb het nu even over dingen. En als het gaat om zelf autorijden en je overgeven aan andere chauffeurs, moet ik afhaken vrees ik. Ik kan er niet aan wennen. Een paar dagen geleden reed een taxi waarin ik zat voor het eerst sinds maanden honderd, pfjoe.
Voor diegenen die zich ergeren aan de file op de singel in Enschede tussen 08:03 en 08:45… : afgezet tegen het verkeer in Vietnam valt het best mee, weet ik nu. En ja, die file richting Deventer is ontzettend irritant, maar je hebt je eigen radio en schone autostoel. Geen getetter uit een luidspreker zonder knop of een buschauffeur die het ineens op zijn heupen krijgt. Onze Vietnamese buschauffeur krijgt dat wel, merk ik. Een half uurtje geleden wisselden de twee chauffeurs. We moeten nog twee uur naar Saigon. Het jonkie ging achterin de bus een vrouw lastig vallen totdat hij –niet succesvol- maar afhaakte. De oudere chauffeur had achterin geslapen en begint nu haast te krijgen. We moeten om 19:00 uur in Saigon aankomen.
Het is een grappige ligbus die ons van het strand van Mui Ne terugbrengt naar Saigon. Een rit van ruim vier uur. Er zijn twee gangpaden en in de lengte drie rijen ligbedden, twee hoog. Als je eenmaal aan het gewiebel gewend bent is het best comfortabel. Totdat het gewiebel veel wordt. De weg heeft drie rijbanen, geflankeerd door twee stroken voor scooters en brommers. Onze chauffeur gebruikt alle rijstroken, van meest rechts tot meest links. In hoog tempo ontwijkt hij brommers en scooters, bussen en ander vrachtverkeer. Hij toetert en geeft groot licht als een tegenligger te dicht bij komt. Waarbij ik moet opmerken dat de tegenligger gewoon op zijn eigen rijbaan rijdt.
Er zijn geen regels op de weg in Vietnam. Het is niet eens de grootste die voorrang krijgt zoals in China. Dat schept nog een beetje helderheid. Hier wemelt het van de scooters. Die bezitten de weg. Het woord ‘wemelt’ wordt in Vietnam ten volle benut. Je kent het verkeer rondom een mierenhoop? Die lopen tenminste nog een beetje in een rijtje. Dit is meer een tochtje door de bijenkast. Op hoop van zegen. Als je een van de brede straten oversteekt en het stoplicht op het punt staat groen te worden, komt er een zoemende menigte motorfietsen op je af. Niet in paniek raken, rustig doorlopen en vooral niet gaan stilstaan. Dan weet niemand meer waarie aan toe is. Hele gezinnen zitten op zo’n Vespa (Italiaans voor wesp). Pa voorop, daarvoor een kindje, staand tussen zijn benen, daarachter zijn vrouw met tussen hen in een baby geklemd. Twee tassen aan het stuur. Dat kan met een vaartje van 50 kilometer per uur.
Ik ben geen deskundige maar snap wel dat de logistiek zo niet op gang komt in het land. Zolang voetgangers, brommers, vrachtwagens en snel autoverkeer hetzelfde wegdek gebruiken is de vaart eruit. Stel je voor dat je fietsers moet ontwijken op de A1 tussen Oldenzaal en Hengelo. Of de trekker van Buurman Boer. Er zijn meer problemen: om een beetje op te schieten op de overvolle wegen is er een bloeiende handel in nepambulances. Alleen in Saigon zijn er al negen van de weg gehaald meldt de krant.
En ja hoor, had ik maar wat gezegd! Een harde klap tegen de bus, we gillen en ik hoor een snerpend geluid. De chauffeur gaat in de ankers. Ik wist het! Ik hoef het niet te zien. Een brommer met twee mensen erop is volop geraakt door onze bus. De twee liggen bewegingloos op de grond. De chauffeurs stappen uit, een menigte verzamelt zich rond de slachtoffers. Een kruipt overeind, de ander wordt op een kar gehesen.
Ik zie geen politieauto, ook geen ambulance voorbij komen. Wel een officieel overhemd met een witte spuitbus die met gevaar voor eigen leven een tekening rondom onze bus maakt. Ik zie dat we over de brommer heen zijn gereden. Met mijn ogen stijf dicht wens ik vanuit mijn tenen dat er geen doden zijn. De bus wordt aan de kant gezet. Wat er verder gebeurt is me onduidelijk.
Vijftien minuten later zitten mijn geliefde reisgenoot en ik in de taxi. Twee Vietnamese zakenmannen moeten ook naar Saigon. Een paar andere buitenlanders blijven wachten totdat de bus verdergaat. Mijn ervaring is dat dat nog wel wat uurtjes kan duren. Met een beetje pech wordt ook nog ’s iedereen in de bus als getuige ondervraagd door de autoriteiten. En daar pas ik voor: een handtekening onder een document dat je niet kunt lezen. Dank je de koekoek. De twee Vietnamese mannen praten de taxichauffeur bij. Eén van hen meldt dat er zelfs twee brommers betrokken waren. Die raakten elkaar vlak voor onze bus. ‘En…’ voegt hij er serieus knikkend aan toe: ‘..a body is dead.’
Precies om zeven uur rijden we Saigon binnen. Zoals gepland. Geef mij de singel in Enschede maar.
THUIS - Vietnameze veerkracht
column 12
‘Hij heeft geen idee wat armoede is,’ zegt ze. Haar Nederlandse liefde die ze hier in Vietnam ontmoette. Hij ziet het hier in Vietnam voor het eerst en vindt het zielig. Zij komt uit Zuid-Afrika, is restaurantmanager aan het strand en weet wel hoe armoede eruit ziet. ‘Zoals hier, in Vietnam?’ ‘Ja,’ zegt ze, ‘nog erger. Bedelende kinderen, half gekleed, blootsvoets in de regen. Het geld dat ze bij elkaar bedelen moeten ze direct afgeven aan moeder of vader. Zodat die dronken of stoned kunnen worden. Vreselijk.’ ‘Wat doe je dan’, vraag ik haar. ‘Ik kijk niet’, gebaart ze met de handen langs de zijkant van haar gezicht.
In een grote stad als Saigon lukt dat niet, de armoede niet zien. Vrouwen met jonge kinderen lopen alle tafeltjes af om zakdoekjes of kauwgom te verkopen. Zo ook kleine kinderen. Het komt neer op bedelen. De route is eindeloos. Na twee dagen ken ik alle gezichten. Andersom niet, ze ziet me voor het eerst. Het blijft de moeite van het proberen waard. Ze wijst op haar baby die op haar arm slaapt en zegt ‘baby eat’. De ringtone die ik ooit van een collega hoorde ‘helloooo, you remember meeee, we boom boom in Vietnam, now me have you baby, you send money…..’ is hier geen grap meer.
Vietnamezen zijn survivors. Op de plek waar toeristen kunnen kijken hoe Amerikanen tot waanzin werden gedreven komt dat besef plotseling binnen. Onze piepkleine gids van ruim zestig vertelt over de Cu Chi tunnels niet ver van Saigon. Hij vertelt van de Noord- en Zuid Vietnamezen en – hij mag het niet zeggen, de muren hebben oren - hoe geweldig het volk uit het Zuiden is. Maar zijn broodheer is het museum en de helden uit het Noorden, de Vietcong en symphatisanten hebben het land bevrijd.
De tunnels zijn cruciaal geweest. Door onder de grond te gaan leven werd de VC onoverwinnelijk. Ik zie hoe tunnels niet alleen een logistiek doel dienden, hele gemeenschappen ontstonden onder de grond. Er zijn drie lagen. De bovenste laag is strijdgebied. Loopgraven onder de grond. De tweede laag is voor dagelijks verblijf van vrouwen en kinderen. Er zijn keukens, werkplaatsen om Amerikaanse munitie tot nieuwe wapens om te bouwen en plaatsen voor waterreservoirs. Ingenieuze luchtverversingssystemen en rookafvoerkanalen. Er zijn zelfs operatie- en kraamkamers. De derde en diepste laag is de vluchtplaats tijdens bombardementen. Onze gids is trots. Trots op de inventiviteit van zijn volk. Trots op de uiteindelijke overwinning op het Franse kolonialisme, de Chinezen, de Japanners, de Thai, de Amerikanen. Hij lacht zich rot als een van de toeristen klem komt zitten in de smalle tunnel. Dat is precies het punt. De tunnels zijn gemaakt voor de watervlugge piepkleine Vietnamees.
Niet alleen de tunnels leiden tot de overwinning: ook de bamboe werktuigen waarmee vroeger dieren werden gevangen in de jungle. Zoals de Amerikanen het land plat bombardeerden – de kaart met inslagen is heel verhelderend – zo probeerden de Vietnamezen de Amerikanen te verminken en verwonden. Dan zouden ze hun energie wel voor iets anders nodig hebben. Met veel plezier laat onze gids de vallen met spiezen zien. Ook het raamwerk met bamboesspiezen dat naar beneden komt als je een deur opendoet is volgens hem hilarisch. Ik word misselijk. En dat is nog erger als ik het oorlogsmuseum uitkom. Alle beroemde foto’s hangen er. De ‘foute’ Vietnamezen die op het dak van het CIA kantoor de helikopter in proberen te komen op de dag van de overwinning, het meisje dat bloot over straat rent na een napalm bombardement.
Het is jammer dat de voorlichtingsfilms, het tunnel- en oorlogsmuseum tot doorzichtige propaganda verworden. Heeft men daartoe niet het volste recht, vraagt mijn tolerante ik? Nee, roept mijn waarheidsvindingkant. Dat kan niet. Ik blijf in verwarring hangen tussen begrip en drang naar objectiviteit.
De Vietnamees heeft veerkracht. Men is vergevingsgezind en ontvangt Fransen en Amerikanen met open armen. Alle toeristen. Maar, let op, die veerkracht en vergevingsgezindheid hebben een andere kant. Je bent welkom zolang je betaalt. Geld komt binnen drie zinnen ter sprake.
Het zijn survivors, Vietnamezen. Op het schip in Ha Long Bay vertelt een van de jongens dat hij net getrouwd is. Zijn gezicht lacht volop. Hij laat zelfs alle foto’s zien. Een mooie jonge echtgenote zie ik. Bich heet ze. Bich en Nghia stralen in overgestyleerde foto’s tegen achtergrondjes in de studio bij de fotograaf. ‘Waar woon je?’ Vraag ik. ‘In HaLong.’ Antwoord hij. De boot meert daar elke twee dagen aan. ‘Mooi dichtbij’, zeg ik. ‘Ja,’ zegtie, ‘maar ik ben op het schip.’ ‘Hoezo, je kunt toch naar huis?’ ‘Nee, zesentwintig dagen per maand.’ ‘Achter elkaar?’ ‘Ja.’ Hij lacht breeduit en knikt nog eens ter bevestiging. ‘Dan ben ik vier dagen vrij, ga ik naar huis en zie ik mijn vrouw.’
THUIS - Are you happy?
column 11
‘Are you happy?’ Vraagt de tuktukchauffeur als ik instap. Ik kijk hem verbaasd aan. Wat een aparte vraag, zomaar even tussendoor. ‘Eh ja, ik ben blij’. Want ik ben hier -in Cambodja- en ik sta op het punt om het eeuwenoude Angkor complex te gaan zien. Een uiting van een beschaving die in de 9e eeuw al vorm kreeg door steden van tempels te bouwen. Hoe bijzonder is dat!
De 31-jarige Cambodjaan is tuktuk’er van professie. Een scooter met daarachter een karretje met tentje erop voor twee tot vier mensen. Hij maakt zich zorgen om zijn land, begrijp ik. Zijn Engels is redelijk hoewel hij nog wel ’s wat door elkaar klutst. Ik oefen begrijpend luisteren. Engels schrijven kan hij niet. Alleen zijn eigen schrift: sierlijke tekens die in hele zinnen aan elkaar geschreven worden. Zonder lidwoorden en vervoegingen en het laatste deel van het woord wordt vaak niet uitgesproken. Zo ook in het Engels. “you wy wan’ fly ly?” is iets met ‘your wife’ en ‘fried rice’, gok ik. En tijdens het ontbijt was ik natuurlijk nieuwsgierig naar de uitkomst van de Champions League finale: ‘are you a soccerfan?’ informeerde ik. ‘Sokka, yes yes,’ zegt de ontbijtknul en grijpt de suikerpot.
De tuktuk levert hem een inkomen en dollars op. Dat was anders: De Tuktukker had een boerderij en verbouwde maïs. Precies zoals Pol Pot wilde in de jaren zeventig. Zijn familie gaf hem geld om te zaaien maar hij kon zijn oogst niet kwijt. Cambodja exporteert nauwelijks en importeert veel, vooral uit Thailand. Dat frustreert de Tuktukker ook nu. De Cambodjaanse economie heeft een andere aanpak nodig vindt hij, zo wordt het niks. Dat vinden meer lees ik in de krant, deze week is er zelfs een conferentie in Siem Reap en Phnom Penh met internationale meedenkers. De uitkomsten worden later dit jaar in Geneve gepresenteerd. Het wemelt in Cambodja van de hulporganisaties. Childsafe tegen kindermisbruik, er is zelfs al ecotoerisme en er is corruptie. You so lucky, you come here!’ Eén jaar schoolengels is zijn oogst, school is duur. Hij oefent in de praktijk met toeristen en werkt bij een ontzettend leuk hotelletje in Siem Reap. Eigenaar is Dèèr, en Dirk komt ook uit Nederland.
Cambodja groeit, in alle opzichten. Cambodja is anders. Het is er groen, er zijn tuktuk’s en fietsen en sinds een jaar of tien auto’s. Ook in Phnom Penh zijn op de toeristenplekken brede wegen, maar daarna wordt het al snel onverhard. Het is er niet zo’n bende als in Kathmandu, Bangkok en Saigon; wel begint het plastic tijdperk om zich heen te grijpen. Een plastic zak is welvaart. Verdorie, daar kom ik niet voor. Ik kom voor de oude Khmerbeschaving die in de jungle bouwde en in een rivierbedding duizend linga’s -fallussymbolen- houwde. Wat een schoonheid! Hoe zou het er toen hebben uitgezien?
Het contrast is schril als ik de man zie, met één glazig wit oog en een rozige vlek in zijn gezicht waar eerst zijn lippen zaten, terwijl ik uitstap naast een muur met rollen prikkeldraad erop. Hij zit voor de oude S-21 gevangenis, zie ik nu. Voorheen de Toul Sleng school met vier gebouwen van drie verdiepingen en speelplein binnen vier veilige muren. Voor 1975. Nu is het ’t genocide museum. Ik weet dat de gruwelplek er is, maar wist niet dat het vlakbij mijn hotelletje was. De confrontatie zocht mij.
Toen ik een jaar of acht was, was Pol Pot ver gevorderd met het ontwrichten van zijn land. Zijn Utopia was een agrarische samenleving zonder machines. Om dat te bereiken martelde en moordde hij er op los met zijn Rode Khmer. Intellectuelen, kunstenaars, docenten, schrijvers, ambtenaren waren een bedreiging voor zijn democratische Kampuchea. Na de coup in 1975 zijn zij in no time opgepakt. De Rode Khmer trok families zoveel mogelijk uit elkaar. Mensen in de steden gingen op transport. Voor hen was een plek voor de ossenkar in het rijstveld. Of in S-21. De plaats van de waarheid. In de klaslokalen werden dubbele ramen gezet zodat daarbuiten het geschreeuw niet zo duidelijk te horen was. Want er moest gedocumenteerd worden. Dat wil zeggen: namen en confessies. Duch, de voormalig gevangenisdirecteur en wiskundeleraar, had uitgebreide methodes. Duidelijk moest worden wie een nieuw mens kon worden en wie niet. De schoolgebouwen waren veiligheidshalve ook ingepakt met prikkeldraad, zodat niemand het in zijn hoofd haalde om zelfmoord te plegen vooríe doodgemarteld kon worden.
Deze week zijn er weer verhoren. Het tribunaal dat al jaren geleden is aangewezen, moet vaststellen wie strafbaar is voor de martelpraktijken en voor de genocide op misschien wel drie miljoen mensen tussen 1975 en 1979. Namen van leiders passeren de revue, Pol Pot ontspringt de dans in dit leven. De toenmalige Khmer-president Khieu Samphan, ‘ideoloog’ Nuon Chea en minister Ieng Sary staan nog op de rol, maar zij zijn al oud. En zij ontkennen. Duch niet. Misschien is er eind 2012 duidelijkheid meldt de krant. De Zweed die eind jaren zeventig met een delegatie van vier wereldwijd onderdeel was van de propagandamachine van Pol Pot, gaat publiekelijk door het stof in een foto-expositie in de oude klaslokalen. Hij toont zijn foto’s van 1978 en legt uit dat hij –zelf docent- een voorstander was van de Rode Khmer en Pol Pots visie op een agrarische samenleving. Kampuchea Democratic. Niet zoals in China of andere communistische Aziatische landen, niet bang voor een communistische opmars zoals de Amerikanen. Dit gedachtegoed klopt, dacht hij. Kijk, ik zie het met eigen ogen. De hele reis blijkt in scene gezet. Nu trektíe zijn haren uit zijn hoofd. Waarom stelde hij de vragen niet, vraagt hij zich af. Hem is een loer gedraaid. Een grote. Hij heeft deze rol in de geschiedenis niet gewild.
Zo ook Aki Ra in Siem Reap . De voormalig kindsoldaat is een expert in het leggen van landmijnen. De Rode Khmer lijfde hem in. Hij at poep en olifantenslurf om te overleven. Hij klapte en juichte als de Rode Khmer een dorpeling publiekelijk martelde en ‘terechtstelde’ om de druk erop te houden. Hij moest wel. Het leger, de landmijn, de AK47 en munitie was zijn leven, tot in de jaren negentig. Nog steeds is munitie zijn leven. Zijn missie is Cambodja mijn- en bomvrij te maken. Eerst samen met de Verenigde Naties, nu zelf. Zijn museum is ontstaan uit zijn verzameling onklaar gemaakte munitie. Zijn gezin groeit nog steeds omdat hij en zijn vrouw door mijnen verminkte kinderen opvangen. Tien jaar geleden kwam hij uit de jungle. Hij zag voor het eerst auto’s, stenen huizen, film. Hij rende weg toen er een tank op het witte doek verscheen. Gelukkig reed het ding de straat niet op. ‘Er is nog veel werk te doen’ zegt Aki Ra. In de oorlogsjaren zijn zo’n 10 miljoen mijnen gelegd. Men weet hem gelukkig steeds beter te vinden als in een dorpje kinderen met een metalen voorwerp spelen. Hij leert dorpelingen wat te doen. Hij leert dorpelingen ook hoe ze moeten afbinden om te zorgen dat iemand niet doodbloed als er iets ontploft. ‘Alles moet weg’, zegt Aki Ra: alle landmijnen die hij legde, alle niet ontplofte bommen uit Amerikaanse vliegtuigen, alle munitie die de Vietnamezen in de jungle achterlieten; alles.
De Cambodjaan lacht, werkt, plukt de dag, zweet, bedelt, verzamelt dollars. Sommigen zijn tegen het tribunaal. Laat het rusten. Anderen willen verder met duidelijkheid, hoe pijnlijk ook. De eigen horror en schaamte onder ogen zien. Met een hernieuwde eigenwaarde die voortkomt uit confessies en het samenstellen van de waarheid van toen. Zodat de verdwenen generatie een plek krijgt, kennis straks weer van vader op zoon en moeder op dochter kan worden overgedragen.
En jij – mijn tuktukchauffeur- ben jij gelukkig? ‘Ja, ook.’zegt hij. ‘Omdat ik zie dat jij gelukkig bent. Niet omdat we op weg zijn naar de Angkor tempels. Die ken ik nu wel…..’.
THUIS - Onze god is toch de beste
column 10
Nepal. ‘Onze god is de beste’ zingen Van Kooten en de Bie uit de minispeakertjes van de labtop. De Nieuw Positivos op ‘Draaikonten’, de Zesde Langspeelplaat van het Simplistisch Verbond, zitten dichtbij bij de waarheid van mijn nu. ‘Daarom zijn wij in het westen relatief in goeden doen’
Hoewel ik me erg thuisvoel in de levensfilosofie van het Tibetaanse Boeddhisme – een lerend leven dat niet zinloos is- en ik dat met een goddelijk bewustzijn combineer, begrijp ik de mannen ineens. Nepali zijn Hindu, Boeddhist of Islamitisch. Boeddhisme gaat vaak samen met het Hindoeïsme, vier procent is Islamitisch. Is er een verband tussen religie, geografie en welvaart?
‘….Kijk die andere religies, /
Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de Nepali er zo’n bende van maken? Waarom gaat de vuilnis over het hek, net naast de deur. Waarom wonen ze op hun eigen vuilnisbelt? Ik zoek wanhopig naar antwoorden. Ondertussen wordt ik bijkans doof van het getoeter op straat. Ik voel me bijna overal ongemakkelijk en opgejaagd.
Sommige Nepali zijn brandschoon met glanzende haren, prachtige kleurrijke gewaden. Andere Nepali hebben korsten van vuil, groezelige doeken om het lijf. Velen zijn straatarm. Op de hoek ligt een man in zijn eigen vuil dood te gaan. Hij heeft zijn benen opgetrokken en draagt alleen een soort hemdje. Mijn keel slaat dicht. Steeds hoop ik dat het beeld verandert. Reizend door het land zie ik dat er afhankelijk van het gebied dorpen van steen zijn of alleen van leem en riet. Sommige dorpjes zien er echt schoon uit, andere zinderen van het vuil. Dat staat los van het soort bouw.
Eerder vond ik de tekst hilarisch: ‘Moeten ze maar niet zo maf zijn,
Van de regering valt voorlopig weinig te verwachten. Die is tot op het bot verdeeld. Het koninkrijk is sinds 2006 ter ziele. Eigenlijk al in 2001 toen een drugsverslaafde kroonprins zijn familie uitmoordde. Bijna twee jaar geleden leek er iets van een stabiele overheid te ontstaan maar de premier is enkele dagen geleden teruggetreden omdat hij een onverenigbaar conflict had met de president. Dat lijkt koren op de molen van de Maoisten die al jaren grote veranderingen willen. Protesten en relletjes zijn aan de orde van de dag. Niets ernstigs. Vooralsnog.
Je mág wel belasting betalen als je wilt, maar geen Nepalees doet dat. Dan kun je beter je kinderen laten studeren of je eigen straat asfalteren. In dit land zijn 25 partijen op 28 miljoen inwoners. In de krant lees ik dat er gekonkeld wordt, gemanipuleerd, verdeeldheid gecreëerd door diezelfde partijen. De twee grote zeggen bijna een overeenkomst met de Maoïsten te hebben, de oppositie spreekt dat fel tegen. Leraren en politici worden bedreigd. De Nepali luisteren naar transistorradiootjes, televisie komt uit India en biedt weinig soelaas. Ook al omdat er een paar uur per dag stroom is. Het water in de rivieren staat te laag, in de maanden voor de regentijd. De NEO kan maar de helft stroom leveren. Los het zelf maar op, koop een generator. Publiek onderwijs is er tot en met de lagere school, daarna bepaalt het feit of je uit een goede familie (kaste) komt of je verder kunt studeren. Het talent dat kán studeren leert verder in het buitenland en blijft daar. De infrastructuur is abominabel, een snelweg hier heet in Nederland onverharde weg.
‘Hindoes wonen zelfs in dozen,/
Brahma is een van de booste, ‘ zingen de Nieuw Positivos. En op de achtergrond de Boeddhistische mantra ‘om mani padme hum’ uit een winkeltje. Het Tibetaanse Boeddhisme spreekt me aan, de wijsheid, de tolerantie voor alle goede en slechte dingen in een mens, vol vrede. Maar niet in de modder. Verenig je toch, smeek ik in gedachten en zet dit land op poten. Het heeft zoveel te bieden, zelfs vlak voor de regentijd is het groen.
Ik wilde graag naar Nepal, omdat het dicht bij Tibet ligt. Visa voor China en Tibet zijn slecht te combineren. Dus werd het Nepal. Ook omdat de Himalaya trok. Letterlijk ‘het gebergte’. Tibetanen vluchtten ook de Himalaya over en de geboorteplaats van Gautama Siddharta Boeddha ligt in het zuiden van Nepal. Intrigerend. Op papier. Nu ik er ben vind ik het stuitend dat alles en iedereen zo vies is. Ik heb zelfs busvervoer afgezworen, een taxirit is al duivels. Begrijp me goed, ik reis al twintig jaar in Azië.
Het liefst schreef ik over mijn tocht door de Himalaya, het afzien tijdens de klim naar 3200 meter. De voldoening bij het zien van de zonsopgang op Poon Hill met mijn blik op de heilige Fishtail en de Annapurna’s. De hagelbui met knikkers, de gids Hari met zijn grappige langgerekte yeees, en noooo. Terwijl hij de berg ophuppelt en ik zwoeg. De 25-jarige met ambitie die een studie commercie kan doen en mij over veel dingen bijpraat. Maar waarom sommige moeders hun driejarige zo hard slaan dat het kind achteroverstuitert of waarom sommige kinderen heel erg vies zijn en sommige fris en hun haren net gewassen, is ‘very difficult to explain’. Ondanks zijn toegankelijkheid en vele uitleg krijg ik dit niet helder.
‘Onze god is de toch beste’..’Daarom zijn wij in het westen -- relatief in goeden doen.’ Complete onzin natuurlijk maar ik zoek naar antwoorden.
In Bodnath, bij een van de grootste heilige Boeddhistische stupa’s ter wereld, zes kilometer van hoofdstad Kathmandu wens ik dat ik ergens anders was. Thuis, of op mijn volgende bestemming. De twee weken in Nepal zijn –Godzijdank- bijna voorbij.
